|
Tibetaanse geneeskunde bestaat al lang en is erin geslaagd vrij te blijven van westerse invloeden omdat Tibet nooit aan Europese overheersing was onderworpen. In vergelijking met de Chinese en Indiase geneeskunde is ze vrij jong, men neemt aan dat ze ontstaan is rond de 7de eeuw n.C. De Tibetaanse koning Song Tsen Gampo zou de geneeskunde in zijn land hebben geïntroduceerd, waarvoor hij artsen uit China, India en Iran aan zijn hof ontbood.
De Tibetaanse geneeskunde is gebaseerd op een unieke samensmelting van traditionele Indiase en Chinese geneeskunde en Tibetaans boeddhisme, met elementen uit de Arabische geneeskunde. De Tibetaanse geneeskunde vindt haar belangrijkste inspiratie in het Boeddhisme. Evenals de ayurveda en het Chinese systeem is zij holistisch en houdt zij rekening met factoren als dieet, leefstijl, milieu, weer, attitudes en emoties naast ziektesymptomen. De theorie van meridianen en energiebanen is hoog ontwikkeld en er is tevens een krachtige, volkse en godsdienstige traditie op het geheel van genezen die evenwijdig loopt met de meer orthodoxe manier.
In de Tibetaanse geneeskunde wordt ziekte beschouwd als het onevenwicht van de drie ‘stemmingen’ die in alle levende zaken bestaan en die de werking van de organen in de lichamen besturen. Deze drie stemmingen zijn: de wind die betrekking heeft op ademhaling en beweging, de gal, met betrekking tot de spijsvertering, uiterlijk en het temperament en het flegma met betrekking tot slaap, gewrichtsmobiliteit en elasticiteit van de huid. Het niet kennen van de aard van de realiteit wordt beschouwd als één van de grondoorzaken van ziekte. Hierdoor vallen we ten prooi aan tegenstrijdige wensen en emoties waardoor de 3 soorten geestestoestanden (gehechtheid, aversie en verwarring, ook gekend als de 3 vergiften) op hun beurt tot onevenwicht en ziekte leiden.
Andere oorzaken van onevenwicht zijn factoren zoals het milieu, dieet, gedrag, seizoensinvloeden van het klimaat, gif of trauma die inwerken op stemmingen door hun tegengestelde of gelijke aard, waardoor ze overvloed of tekort veroorzaken.
Deze theorie verschilt van de theorieën van de Ayurveda, omdat ze stelt dat de 3 vergiften ontwikkelen in de groeiende foetus en daar wind, gal en flegma doen ontstaan.
In Tibet is de geneeskunde nog nauw verbonden met godsdienst en magie. Gebeden en rituelen die tegen het kwade moeten beschermen en tegenspoed moeten voorkomen spelen een rol bij het genezen van ziekten, en dit aspect is niet helemaal gescheiden van de medische praktijk.
De Tibetaanse geneeskunde besteedt veel aandacht aan diagnose, die gebaseerd is op het nemen van de pols, onderzoek van de ogen, urine-analyse (die uitzonderlijk hoog ontwikkeld is), tongdiagnostiek en waarnemingen. Het lezen van de pols is vrij uitgebreid en vereist grote kennis en kunde. Bij kleine kinderen gebeurt de diagnose anders dan bij volwassenen, omdat kinderen vaak nog niet precies kunnen vertellen wat er gebeurd is. De arts onderzoekt bij een kind de achterkant van de oren door ze tegen het licht te houden. Op die manier kan hij aan de adertjes zien hoe de organen werken aangezien de adertjes verbonden zijn met de diverse organen. Behandelingen die het evenwicht tussen de stemmingen moeten herstellen omvatten kruidengeneeskunde, bijkomende therapieën zoals massage, branden van moxa, acupunctuur, diëten, gedragsadvies, reinigingstechnieken en godsdienstige rituelen. Het meest gegeven advies is ontspannen, minder piekeren en minder zorgen maken. Plezier maken en van het leven genieten kan vele ziekten voorkomen en genezen.
De Tibetaanse geneeskunde wordt in heel Tibet, India, Ladakh Nepal en Bhutan toegepast en wordt door Tibetaanse artsen die in het westen wonen verder verspreid.
|